Op vakantie met de Gezinsbond

C:\Users\atroch\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.Outlook\2XCVIPXX\diversen_polly_raskin_00121.jpgFoto uit het boek Conge paye van Jan Raymaekers


Op dit moment genieten velen van vakantie. Tijd om de riem af te leggen en andere horizonten te verkennen na een jaar hard werken. Anders hou je het niet vol, zou je denken. Toch hadden de meeste mensen tot pakweg tachtig jaar geleden geen vakantie en dus geen tijd om op reis te gaan. Geen geld ook trouwens. Alleen rijken konden naar zee of naar Spa, naar Parijs of de Alpen.

Arbeiders en bedienden werkten zes dagen op de zeven, het jaar rond. Enkele bedrijven en sectoren gaven wel al een paar dagen betaald verlof aan hun werknemers, nog voor het wettelijk verplicht werd. Omdat zij het voordeel van uitgeruste arbeidskrachten zagen.

Met de wet op het betaald verlof in 1936 kreeg iedereen recht op zes dagen vakantie met behoud van loon. De meesten bleven op die dagen gewoon thuis, want het loon mocht dan wel doorlopen, om te reizen moet je extra budget hebben en dat was er bij velen niet. De wet op het dubbel vakantiegeld voorzag in 1948 in dat extraatje.

De Gezinsbond, die altijd de vinger aan de pols heeft van wat gezinnen nodig hebben, sloot samenwerkingen af met hotels en appartementen om leden-gezinnen daar op vakantie te laten gaan. In 1963 had de Dienst Gezinsverlof 90.000 overnachtingen in binnen- en buitenland. Met de Belgische kust als topper. In dat jaar werd de vzw Gezinsvakantie-Familiatours opgericht. Om aan de stijgende vraag te voldoen bouwde die dochter-vzw ook eigen vakantiehuizen. Reigersnest in Sint Idesbald (1965) werd voor bijna de helft gefinancierd met de opbrengst van een reuzentombola. Door het hele gebouw klinken kreten van kinderen en je mag er eten naar hartenlust. De barman zingt luisterliedjes en animator Raf trekt met de sportievelingen het strand langs, de duinen in of naar de vismijn van Zeebrugge, schreef Jaak Dreesen in 1971 in De Bond. Kindvriendelijkheid typeert tot op vandaag de vakantiehuizen.

Sommigen beleefden daar hun eerste reis of zagen er voor het eerst de zee. Er werden ook twee hotels aangekocht en verbouwd in Blankenberge en Heist. Er volgde een vakantiehuis in Nonceveux en De Bosberg in Limburg. Dat laatste werd in 1969 ingewijd met sportterreinen en zwembad als grote troeven.

Op het hoogtepunt in 1973 had Gezinsvakantie 373.535 overnachtingen. Het aanbod breidde ook uit over de landsgrenzen. Groeps- en privéreizen, huurwoningen, wintersportvakanties… je kon ervoor terecht bij Gezinsvakantie. En dat is nog altijd zo.

In de jaren tachtig bloeide in Vlaanderen het sociaal toerisme met meer dan vijftig vakantiehuizen, eigendom van ziekenfondsen, vakbonden of Gezinsvakantie-Familiatours. Naarmate buitenlandse bestemmingen goedkoper werden, kenden ze minder succes. In de schoot van Gezinsvakantie bestaan nu alleen nog De Bosberg en Reigersnest. De (kind)vriendelijkheid van hun personeel en accommodatie weet nog altijd heel wat gezinnen te bekoren.

An Candaele